CGK Katwijk

Christelijke Gereformeerde Kerk te Katwijk aan Zee

Meditatie

Meditatie oktober 2019

 

Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen…

Jesaja 40:11

 

In deze woorden blijkt de tedere zorg die de HEERE heeft voor de Zijnen. Zij worden in dit gedeelte ‘lammeren’ genoemd. Dat zijn pas geboren schapen. Doch het zijn wel levende schapen. Het zijn geen poppen. Want daar zit geen leven in, al kan men ze met de hedendaagse techniek wel laten blaten. Doch de levende lammeren zijn klein en teer en kunnen dikwijls niet meekomen. Ze moeten in alles geholpen worden. Ze lopen dikwijls te dwalen. Maar ze trekken toch altijd weer op het moederschaap aan. Want daar moeten zij door gevoed worden. En het moederschaap geeft zich daar ook helemaal voor. De natuur leert ons al deze dingen.

Als er staat dat Hij de lammeren in Zijn armen vergadert en in Zijn schoot draagt, dan is dat een beeld uit het herdersleven. De kleine schaapjes worden als ze moe zijn door de herder opgetild en gedragen. Hij draagt ze dan in Zijn schoot. Dat wijst op het herderskleed in het Oosten. Dat kan worden opgebonden als een zak. De lammeren zitten daar dan goed en warm. Dicht bij de borst van de herder, die een warm kloppend hart had voor de kudde en niet in het minst voor de kleinen.

 

Met de Herder wordt hier de HEERE bedoeld. David zegt: ‘De HEERE is mijn Herder’. De Heere Jezus zegt: ‘Ik ben de goede Herder’. Wat een zorg spreekt er uit bovengenoemde tekst voor de kleinen in de genade. Dat zijn degenen die pas door Gods Geest wederomgeboren zijn. Zij kunnen nog geen grote dingen vertellen. Van ervaring weten ze maar weinig te zeggen. Wat weet een pasgeboren kind van het leven? Toch kun je aan dat kind zien en horen dat het leeft. Want ze schreeuwen. Dat doen lammeren ook. Ze hebben een droefheid naar God. De hele wereld kan hen geen verzadiging geven. Zij moeten het van de Heere hebben. Die zoeken zij dan ook. Die lopen ze achterna. Ze zijn net als de kleine lammeren. Je kunt ze vaak in de nabijheid van de kerk vinden. Want daar krijgen ze voedsel voor hun ziel. Zij zijn alleen maar op hun gemak als ze van de Heere Jezus horen vertellen. Als er goed van God wordt gesproken, dan voelen zij zich ook goed. Ze zijn als nieuwgeborenen zeer begerig naar de onvervalste melk van het Woord. De beloften uit Gods Woord doen hen goed. Daar putten zij moed uit. Zij krijgen daar krachten door. Als de lammeren gevoed worden, dan komen zij tot rust. Dan mogen zij nederliggen in grazige weiden, om het met psalm 23 te zeggen.

 

De lammeren zijn vanwege hun jonkheid en onervarenheid zeer schrikachtig. Ze zijn gauw van streek. Zo is het ook met de pasgeboren kinderen van God. Ze zijn bang voor de hond, dat is de duivel. Ze zijn bang voor de zonden, want die nemen de rust van hun ziel weg. Al deze dingen moeten er aan meewerken om hen op hun plaats bij de Heere te brengen. Ze worden steeds weer uitgedreven naar het Woord. De HEERE is hun Herder. Hij is met innerlijke ontferming over hen bewogen. Hij verstoot ze niet. Hij vergadert ze in Zijn armen. Dat zijn uitgebreide armen. Dat zijn machtige armen. Hij zegt: ‘Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet’. Hij omarmt hen en drukt hen aan Zijn hart.

Hij zal ze in Zijn schoot dragen. En als ze niet meer verder kunnen, dan draagt Hij hen. Dan leren ze hoe afhankelijk ze zijn. dat ze nog niet op eigen benen kunnen staan. Dat ze zichzelf niet toevertrouwd zijn. Doch wat is Zijn zorgende liefde dan groot. Want ze hoeven er zelf niets aan te doen. De HEERE draagt hen. Hij is alles en Hij doet ook alles. Zij kunnen op Zijn kosten zalig worden. Men bevindt zich in Zijn schoot dichtbij Zijn hart. Dat voelt men van liefde kloppen. Men zit daar ook behaaglijk warm. Het is aangenaam voor de ziel om zo dichtbij de Heere te mogen zijn. Het zal hen dan ook aan niets ontbreken. Want Hij zorgt voor hen. Hij staat er voor in dat zij zalig zullen worden. En daar vertrouwen zij dan ook op. Ze hebben een kinderlijk geloof.

Ds. H.C. van der Ent (1918-1997)