CGK Katwijk

Christelijke Gereformeerde Kerk te Katwijk aan Zee

Meditatie

De God van Bethel

Ik ben die God van Bethel

Met die woorden openbaarde Zich de Heere aan Jacob te Paddan - Aram. Herinnerde de Heere Jacob eraan wie Hij voor hem was geweest en nog is en steeds zal blijven.

Die greep in ’t verleden had Jacob nodig, nu Jacob in nood verkeerde, al was het anders dan twintig jaar geleden. Jacob verkeerde in grote zorgen. Hij zag het aangezicht van Laban aan, en zie, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren. En nu had Jacob geen rust meer. Zijn ziel werd in hem benauwd. En ziet, nu komt God tot hem en Hij zegt tot Jacob: Ik ben die God van Bethel!

De Heere zegt er als het ware mee: Jacob, weet gij het nog? Herinnert gij u dit alles nog wel? Welnu, hoor dan weer naar Mijn stem, want Ik ben nog Dezelfde, de God van Bethel, dat is een God, die de onveranderlijke Getrouwe is. Heb Ik dat niet in die twintig jaar betoond? Heb Ik u niet bewaard en doorgeholpen? Heb Ik u niet, trots tegenwerking van Laban en zijn zonen, rijk gezegend? O Jacob, Ik ben er nog!

De Heere zal in dit moeilijk leven, Zijn volk en erfdeel nooit begeven. Hij blijft getrouw, al zijn zij ontrouw. Hij kan Zichzelve niet verloochenen. En dan leeft het weer op in zijn ziel, dan staat het verbond weer vast en dan kan Jacob het zich weer levendig herinneren, dan moet hij getuigen: Ja Heere, zelfs in mijn dienstbaarheid en ellende hebt Gij mij niet vergeten!

Wat mag Jacob dit nu weer verrassend ervaren. Hoe zalig en rijk is dit nu voor hem, te midden van alle moeite en smart en tegenheên. Neen, de Heere heeft Jacob niet vergeten, al moge hij de Heere vergeten, dagen zonder getal. God verlaat Zijn keurlingen niet. Hij bewaart ze als Zijn oogappel in Zijn eeuwige, onveranderlijke en oneindige liefde.

Jacob, Ik ben die God van Bethel! Ik ben er nog! Ik vergeet u niet! Ik verlaat u niet! Ik houd u vast!

En Jacob moet getuigen: o Heere, dan is het goed! O Heere, dat is alles!

Door een nacht, hoe zwart, hoe dicht, voert Gij mij in ’t eeuwig licht.

Ik ben die God van Bethel! O Sion, dat zegt de Heere ook nu, om nu ook in alles op Hem alleen te vertrouwen en ons geheel te verlaten op de Heere.

Zeker, daar komt soms alles tegen op. ’t Gaat ons wel eens als David als hij klaagt: Mijn God! ik roep des daags maar Gij antwoordt niet, en des nachts, en ik heb geen stilte. Er komen soms tijden waarin zij roepen: waarom Heere, vergeet Gij mij?

O, ik weet het, het kan soms zo donker zijn om u en in u door de bestrijdingen van de vorst der duisternis. Welk een moeilijke, bange tijd is dit in het leven. Hoe moeilijk in hevige mate, als de duivel allerlei godslasterlijke gedachten en woorden in uw hart doet opkomen en soms vreselijke plannen aan u opdringt.

Hoe ver kan een kind van God zelfs na ontvangen genade, na het ontvangen van rijke beloften en openbaringen, soms weer afwijken van de rechte wegen. Wat kan de ziel soms door twijfel heen en weer geslingerd worden. Wat kan ze bijna gaan wanhopen aan de vervulling van Gods beloften. Hoe donker die tijden door zonde en ongeloof, waarin de Heere Zijn aangezicht verbergt. Hoe groot is de vreze dan in het hart, dat schreit: ik vrees, dat ik nog alles mis en dat mijn werk geen waarheid is. Dat is zwaar. Maar de Heere houdt om allerlei redenen Zich soms verborgen, opdat het geloof gelegenheid hebbe zich te openbaren en de ziel zich vast zou leren klemmen op hope tegen hope, als ziende de Onzienlijke.

Daarom, gij, die zijt in een donkere nacht van grote vreze en benauwdheid, die vraagt: zal het wel ooit dag worden? - laat u bemoedigen door het vertroostende: Ik ben die God van Bethel.

De Heere vergeet Zijn beloften niet. De vervulling moge lang op zich laten wachten, maar geen van Zijn woorden zal ter aarde vallen. Eens sprak Naomi tot Ruth: Zit stil, mijn dochter! totdat gij weet hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij hij heden deze zaak voleind hebbe! Hoeveel heerlijker en zekerder geldt dit van die God van Bethel!

Kom, pleit en worstel met de dichter: Gedenk aan ’t woord, gesproken tot Uw knecht, Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven; Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd, Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven; Al ’t geen Uw mond aan mij had toegezegd, Gaf aan mijn hart vertroosting geest en leven.

Te bekwamer tijd openbaart de Heere Zich als een belovend en vervullend God. Zou Hij het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken? Zo waarachtig als Hij God is, zal Hij doen wat Hij gesproken heeft.

Maar zie, de Heere behoeft Zich nooit te haasten, omdat Hij altijd zeker is van Zijn zaak. Zijn trouw kan niet wankelen. Zijn liefde nooit veranderen. Zijn geduld nooit moede worden.

Het geloof wordt door de beproeving geoefend. Dieper zelfkennis, dieper inleven in de ontfermingen des Vaders; een meer volkomen overgave aan de God der genade; een inniger aankleven aan Hem, die het leven der ziel is.

Ik ben die God van Bethel! Zo sprak de Heere tot Jacob midden in zijn nood. De Heere wil, dat ook Jacob “dat” Bethel niet zal vergeten. Vergeet ook gij uw Bethel bezoeken niet, gij, die ook iets hebt mogen ervaren van Gods opzoekende liefde in Christus. Hij Zelf wil er u aan herinneren.

Ds. N. De Jong