CGK Katwijk

Christelijke Gereformeerde Kerk te Katwijk aan Zee

Meditatie

Het troostkind

 

Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathséba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, wiens naam zij noemde Sálomo; en de HEERE had hem lief.

2 Samuël 12:24

Wat heeft David een moeilijke tijd gehad, na zijn zonde met Bathséba en de moord op Uria. En wat heeft die moeilijke tijd nu met de relatie van David en Bathséba gedaan? Het zou niet verwonderlijk zijn als er tussen hen verbittering was ontstaan. Ze hadden elkaar veel te verwijten. Vooral David had veel schuld. Al ging Bathséba ook bepaald niet vrijuit.

Uit de tekst blijkt dat het hen dichter bij elkaar en vooral ook dichter bij de Heere heeft gebracht. David heeft Bathséba getroost. Daar hoort zeker ook de liefdesgemeenschap bij en Salomo, het troostkind dat ze uit Gods hand mochten ontvangen.

Maar toch is er meer. Want waar zou David zijn vrouw meer mee hebben kunnen troosten dan met de verkondiging dat God goed is voor slechte mensen? Daar getuigt alles in hun leven toch van? Zeker als we verder gaan kijken in de geschiedenis. Bathséba mocht volgens Mattheüs 1:6 één van de moeders zijn, waaruit Christus geboren zou worden. En Hij is de troost die ver boven alle andere vormen van troost uitgaat. Hij is de enige Troost in leven en sterven. David en Bathséba mochten met elkaar verbonden zijn door hun band aan Christus.

Het zoontje dat na de dood van hun eerste kind geboren werd, wordt Salomo genoemd. Vol van vrede, betekent die naam. David heeft deze naam op Gods bevel aan zijn kind gegeven, zo lezen we in 1 Kronieken 22:9. De geboorte van Salomo is een blijk van Gods gunst. Het is een wonder dat de Heere het zo zondig en verkeerd begonnen huwelijk van David en Bathséba nog zo wilde zegenen. Tussen haakjes: hebt u gezien dat Bathséba hier niet meer ‘de huisvrouw van Uria’ wordt genoemd, maar Dávids huisvrouw? En na de geboorte van Salomo wordt het wonder nog groter, want de profeet Nathan krijgt van God de opdracht om aan Salomo een tweede naam te geven: ‘Jedid-jah’. Beminde des HEEREN.

Wat zullen David en Bathséba daar klein onder geweest zijn. Twee schuldige ouders en dan een kind ontvangen dat deze naam krijgt! Is dat niet het grootste wat ons kan gebeuren, ouders, als onze kinderen door de Heere bemind worden? Is dat onze grootste wens om kinderen te mogen voortbrengen tot Zijn eer? En als zo’n kind in zijn leven dan tekenen mag gaan vertonen van ware Godsvrees, wat word je dan klein en verwonderd. Juist tegen de achtergrond van ons bestaan, waarvan Job zegt: wie zal een reine geven uit een onreine? Niet één. Maar zo krijgt God de eer.

Dat heeft Bathséba gedreven bij het opvoeden van haar troostkind. In Spreuken 31 zegt Salomo dat zijn moeder hem heeft onderwezen in de vreze des Heeren. Salomo waarschuwt in dit gedeelte voor de zonde. Vooral de zonde van overspel en hoererij. Daarin heeft Bathséba haar zoon Salomo onderwezen. En wie kon dat beter doen dan zij? Zij heeft de verwoestende kracht van de zonde in haar leven moeten ondervinden. Maar ook dat de Heere goed is voor slechte mensen.

 

En dan noemt Bathséba in Spreuken 31 hem: ‘Zoon mijns buiks’. Ze had Salomo onder haar hart gedragen. En vervolgens: ‘O zoon mijner geloften’. Ze had aan de Heere een gelofte gedaan. Welke gelofte? De kanttekenaren zeggen: het is de gelofte dat ze Salomo godvrezend zal opvoeden en hem te leren om zo te regeren gelijk een godvrezende koning betaamt. Ze heeft de Heere tijdens haar zwangerschap geloften gedaan met het oog op de heerlijkheid en de eer van God.

En zo schrijft Salomo over zijn moeder Bathséba. In al zijn geschriften roemt hij haar, die hem onderwezen en vermaand heeft in de vreze des Heeren. Zij was voor hem een biddende en godvrezende moeder geweest. Wat is dat groot als je zo moeder mag zijn. Als je je kinderen zo mag onderwijzen en opvoeden.

 

Ds. M.A. Kempeneers