CGK Katwijk

Christelijke Gereformeerde Kerk te Katwijk aan Zee

Meditatie

Meditatie maart 2019


De voorbereiding op het Heilig Avondmaal

 

“Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats. Hoe vreselijk is deze plaats. Dit is niet dan een huis Gods en dit is een poort des hemels”

Gen 28: 17

 

Iedere gelovige moet proberen het Avondmaal zo nuttig mogelijk te gebruiken. Hiertoe zijn nodig een goede voorbereiding, betrachting en nabetrachting. We zullen nu stilstaan bij de voorbereiding.

Omdat de gelovigen nog zo wereldsgezind zijn, zakken ze nog gedurig naar de aarde als de gewichten in een uurwerk. Daarom moeten ze zich bijzonder opbeuren en ook opletten om geestelijke dingen geestelijk te verrichten. Ieder zal daar nauw bekeken worden of hij of zij ook een bruiloftskleed draagt, dat is in een behoorlijke gestalte van zijn hart verschijnt. We lezen daarvan: “En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag Hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed. En Hij zeide tot hem: vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende?” Daarom is het nodig om eerst het bruiloftskleed aan te trekken en zo een aangename gast te zijn.

Het Heilig Avondmaal is een buitengewoon werk. Men komt er als een bondgenoot onder de bondgenoten. Men zit er aan des Heeren tafel, in het licht van Zijn tegenwoordigheid. Men nuttigt er de tekenen en zegelen van het gekruiste lichaam en het vergoten bloed van de Heere Jezus. De Heere wil geheiligd zijn door degenen die tot Hem naderen en daarom is het nodig de woorden van de profeet Micha te overdenken: “Waarmee zal ik de Heere tegenkomen en mij bukken voor de hoge God?”

Het is het bevel van God zich goed voor te bereiden, als men op een buitengewone wijze tot Hem nadert. Toen de Heere tot het volk zou afkomen op de berg Sinaï, gaf Hij bevel aan Mozes, zeggende: “Heilig hen heden en morgen, en dat zij hun klederen wassen, en bereid zijn tegen de derde dag” (Ex. 19:10). Toen Israël door een wonder van God droogvoets door de Jordaan, luidde het gebod: “Heiligt u, want morgen zal de Heere wonderheden in het midden van ulieden doen” (Jozua 3:5).

En toen Mozes tot het brandende braambos naderde, dat een teken was van Gods buitengewone tegenwoordigheid, zei de Heere: “Nadert hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten, want plaats waarop gij staat, is heilig land.” En de priesters moesten zich eerst wassen als ze tot het altaar naderden. Zo ook wij. Als wij tot die heilige tafel naderen, moeten wij ons eerst voorbereiden.

 

De beproeving voor het Heilig Avondmaal is dus een uitdrukkelijk bevel. Een onbekeerde mag niet toetreden. Vraagt u misschien: “Wie zijn onbekeerden?” Ik antwoord: het zijn onwetenden die soms zelfs geen letterkennis hebben van Christus' persoon, van Zijn naturen, vernedering en verhoging, van Zijn voldoening en van de kracht van Zijn dood. Het zijn mensen die geen kennis hebben van de natuur van het geloof, van de wedergeboorte, van geestelijk leven, van Gods rechtvaardigheid en de verdoemelijkheid van de zondaar. Mensen die de natuur van het Heilig Avondmaal niet verstaan en het teken met de betekende zaak niet weten te verenigen, en dat ook niet kennen als een zegel. Het zijn mensen die niet vernederd zijn over de zonden, mensen die gerust leven zonder de verzoening in Christus te zoeken. Mensen die geen verlangen hebben naar de vergeving der zonden, naar troost, naar verzekering van zaligheid, naar heiligmaking en naar een leven in de tegenwoordigheid van God. Het zijn mensen die niet werkzaam zijn naar Christus en niet naar Hem verlangen en Hem niet biddend aanlopen. Het zijn dus mensen wier lust en verlangen alleen is naar aardse dingen, in de begeerlijkheid van het vlees en in de grootheid van het leven. Zulke mensen zijn onbekeerd, dat hebben ze te weten. Deze mensen waarschuwen wij zo ernstig mogelijk dat zij niet mogen toetreden tot de heilige tafel. Wij verkondigen hun dat ze geen deel aan Christus en aan Zijn goederen hebben en dat het Avondmaal niet voor hen bereid is. En als ze toch toetreden, dan verkondigen wij hun de toorn van God. Zich beproeven voor het Heilig Avondmaal is dus een uitdrukkelijk bevel. Een onbekeerde mag niet toetreden, maar een bekeerde niet afblijven. Als ze zich door ergernis te geven het Avondmaal onwaardig maken, dan bezondigen ze zich dubbel en hebben zich voor de Heere te vernederen.

 

Als iemand niet weet of hij bekeerd is, wat moet hij dan doen? Hij moet buiten gewoon bedroefd zijn dat hij niet mag aangaan. Een waar gelovige gaat met zijn hele hart uit naar de Heere Jezus, om door

Zijn bloed gerechtvaardigd, met Zijn heiligheid bekleed, en door Zijn Geest veranderd en geheiligd te worden. Hij gevoelt dat Hij naar Jezus uitziet en zich aan Hem overgeeft, dat hij tegen het ongeloof worstelt om Jezus in het hart te brengen en verzekerd te worden van Zijn deel aan Hem en aan Zijn goederen. Hij voelt dat hij een dadelijke vereniging met God wenst, een leven met een indruk van Gods tegenwoordigheid, en vrede in het geweten. Als hij dat mist, kan hij niet rusten totdat hij het weer verkrijgt, want het is zijn leven en zaligheid.

Een waar gelovige zal een haat tegen de zonde in zich voelen, een smart als hij zondigt, een telkens weer opstaan, een lopen naar het bloed van Jezus tot verzoening, een lust en liefde om de Heere welbehaaglijk te leven. Hij bevindt in zich een strijd tussen vlees en geest, waarin de aardse begeerlijkheden hem steeds van God aftrekken, en het geestelijk leven hem naar God toe trekt.

Lezer, als iemand in waarheid deze gestalten en werkingen in zich bevindt, is hij bevoegd om ter tafel toe te treden, ook al heeft hij (op dat ogenblik) de verzekering niet. Daar hapert het vele gelovigen aan, door onkunde in het Woord, door vrees zich te bedriegen, of omdat ze bij de genade nog zoveel zonden zien. Zulken zijn verplicht om onder de feesthoudende menigte toe te treden, om door het gebruik van de tekenen verzegeld te worden van de beloften die aan zulken zijn gedaan.

Ds. Wilhelmus á Brakel (1635-1711)