CGK Katwijk

Christelijke Gereformeerde Kerk te Katwijk aan Zee

Meditatie

Tot inkeer gebracht

“en de Heere Zich omkerende, zag Petrus aan”

Lukas 22:61a

 

Op de donkere bladzijde van Petrus’ verloochening schijnt het licht van de eenzijdige trouw van God. Alleen om die trouw wordt dit afdwalende kind weer opgezocht. Heel ver was Petrus afgedwaald van zijn Meester. Nog maar kort geleden had tot hem het Woord van Christus gesproken: “Simon, Simon, zie, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe…”

En nu is dit vervuld. De verleider had hem verstrikt in zijn netten. Tot driemaal toe was de verloochening werkelijkheid geworden. Zelfs met een eed en vervloekingen had hij ontkend één van Christus te zijn. Hij is terecht gekomen in een diepe afgrond van zonde, waaruit hij zichzelf nooit kan redden.

 

Niet te diep echter voor de getrouwe Zaligmaker om Zijn verloren schaap weer op te trekken. Hoe groot is hier het lijden van die Zaligmaker. Hij is gegrepen door de bende. Hij is gebracht in het huis van de hogepriester. Hij is verlaten van Zijn discipelen, die allen van Hem zijn weggevlucht. Maar nog erger is voor Hem deze verloochening. Daardoor wordt Zijn lijden op een verschrikkelijke wijze vergroot. Het snijdt door Zijn borgziel, uit de mond van één van Zijn discipelen te horen dat hij Hem niet kent.

En toch … ook dat lijden is niet te groot om Zijn arbeid tot wederkeer te besteden. Hij draagt Zijn Kerk op Zijn hart, en niet in het minst Zijn Petrus. Dat was alleen onverdiende trouw uit het Goddelijke welbehagen. Deze gevallen discipel had alleen maar verdiend dat tot hem gezegd werd: “Ik laat u los omdat gij Mij losgelaten hebt”. Maar nee, Hij draagt de last van Simon er nog bij en brengt tot verbrijzeling en inkeer.

 

Gods bijzondere voorzienigheid openbaart zich hier. Juist als Petrus tot het dieptepunt gekomen is, kraait de haan en wordt ook Christus weggeleid van het ene vertrek naar het andere over de binnenplaats. En dan keert Hij Zich om en ziet Petrus aan.

Zijn mond spreekt niet tot hem. Zijn oog is genoeg. Het dringt door tot heel diep in zijn hart. En dat doet Hij als de betalende Borg. In Zijn betaling is de val van Petrus begrepen. Zo doet Hij Zijn oog naar hem uitgaan, verbrekend zijn ziel. Die blik ontdekt aan zijn zonde en doet hem wenend naar buiten gaan. Petrus wordt het gewaar dat zondigen voor Gods kinderen niet goedkoop is.

 

Onwederstandelijk is er kracht van de blik van Christus uitgegaan in de ziel van Petrus. Toch, dat oog is vol van Gods trouw en van Zijn liefde. Trouw in de ontdekking en trouw in het ontsluiten van de weg tot de hernieuwde gemeenschap met God. Zullen niet al Gods kinderen daar gedurig terecht komen? Alleen vrije genade brengt hen telkens weer terug. Hoe vaak bederven zij het. God Zelf ontdekt het hart en doet met smeking en geween het aangezicht van de Heere zoeken.

Nooit mag dat een reden worden om het niet nauw te nemen met de zonde. Veel meer ligt er een oorzaak in om de Heere aan te lopen om ontdekking en redding in het heden der genade voor ons allen. En bijzonder Gods kinderen hebben te vrezen voor de zonde. Maar dan blijft het genade omdat de Heere Zelf in zijn eeuwige trouw naar hen omziet.

 

Ds. D. Slagboom (1926-1997)