CGK Katwijk

Christelijke Gereformeerde Kerk te Katwijk aan Zee

Meditatie

Meditatie januari 2020

 

‘Laat hem ook nog dit jaar’
Lukas 13:8

 

De vijgeboom uit de gelijkenis is een beeld van ieder mens zoals hij is in zichzelf. Het vonnis was rechtvaardig over deze boom uitgesproken, want hij heeft geen vruchten gedragen. Eigenlijk moest hij worden omgehakt. Maar, de boom heeft iemand die het voor hem opneemt, en dat is de hovenier. Hij vraagt aan de eigenaar van de wijngaard om een jaar uitstel. Hij wil het nog eens met die onvruchtbare boom proberen. ‘Laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben’.

Dat is ons beeld. Och, dat we het te zien krijgen. We zijn het nieuwe jaar mogen ingaan. Maar wat hadden we te zeggen gehad als de boom van ons leven was omgehakt? Wie van ons moet niet eerlijk bekennen dat hij of zij veel lijkt op deze onvruchtbare boom? In onszelf zijn er geen vruchten. En ik heb het dan nog niet eens over stinkende vruchten. Maar: géén vruchten. Immers, we zijn toch door de Heere in de wijngaard geplant om voor Hem vruchten voort te brengen? Waar waren de vruchten? Er waren hoogstens wat bladeren aan de buitenkant.

Laten we onszelf onderzoeken en zeg het eens: heb ik vruchten voortgebracht die tot eer van God zijn? Heb ik in dit afgelopen jaar voor de Heere geleefd? En toch had God daar recht op. Want onze levensboom staat in Gods wijngaard. Hij vraagt niet teveel als Hij naar vruchten zoekt.

 

Is het dan geen wonder als Hij onze levensboom nog steeds laat staan? Moet het ons niet verbreken dat Hij ons nog niet moe is? Er waren geen vruchten in onszelf. Om dan nog maar niet te spreken van stinkende vruchten. Nog heeft de Heere in Zijn geduld gezegd: ‘Laat hem of haar ook nog dit jaar’. Nog houdt Hij niet op om wel te doen. Ondanks dat wij niet ophouden om kwaad te doen.

Maar bedenk het wel: uitstel is geen afstel. ‘Indien hij geen vruchten voortbrengt’, zegt de hovenier tot de eigenaar, ‘dan zult gij hem namaals uithouwen’. Straks valt dan toch de grote slag, en zoals de boom valt, zo zal hij liggen.

Maar nu zijn we tot op deze dag toonbeelden van Gods genade. De Heere wil ons nog dragen. Hij wil ons nog verdragen. Hij schenkt nog uitstel. Het vonnis is wel verdiend, maar wordt niet voltrokken. Ja, er is nog meer. Hij graaft rondom de boom en legt er mest om. Wat een moeite doet de Heere om toch vrucht bij ons te bewerken. Hij geeft het Woord, en de prediking, Hij overlaadt ons dag aan dag met gunstbewijzen. Hij geeft uitstel opdat het afstel kan worden. Ook het nieuwe jaar is genadetijd. Wat doen we er mee? Klop toch, roep toch, zoek toch! Want straks zal er geen tijd meer zijn. De tijd is duur. De gelegenheid is zo voorbij.

Dat het nieuwe jaar dan eens echt nieuwjaar mag worden. Dat het eens niet bij het oude zal blijven. Dat we eens niet meer dezelfde zullen blijven. We moeten veranderd, we moeten vernieuwd, we moeten wederomgeboren worden.

 

Als we die genade mogen kennen, dan zijn we het nieuwe jaar niet ingegaan omdat het vanbinnen beter met ons is. Onze levenstijd is geen beloning. Van de ene dag op de andere moeten we gedragen worden door het gebed van de grote Voorbidder, Die zit aan Gods rechterhand. En als er geestelijke vruchten aan de boom zijn geweest, dan mogen we dat niet ontkennen, maar dan moeten we wel dagelijks leren dat ze niet uit ons zijn, maar uit Christus.

Dat maakt ons diep afhankelijk om een nieuw jaar te beginnen, want ook Gods kinderen hebben wat hun bestaan betreft, alles tegen. Wat ze als vrucht aan de Heere kunnen geven, moeten ze eerst van Christus ontvangen. Anders hebben ze ook niets. Maar wat maakt dat arm en wat vernedert dat. Want hier moet alles van een Ander komen. Zalig zijn de armen van geest, want zij zullen rijk gemaakt worden.

Ds. F. Bakker (1919-1965)