CGK Katwijk

Christelijke Gereformeerde Kerk te Katwijk aan Zee

Catechisatie DV 18 maart

Groep 1 & 2 | Het tiende gebod: Gij zult niet begeren

 

 

Maak de volgende zes vragen.

 

[1] Het 10e gebod luidt: ‘Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat uws naasten is’. Wat zou ‘begeren’ hier betekenen?

[2] In het 10e gebod worden heel wat voorbeelden genoemd van dingen die we niet mogen begeren. Kun je ook drie voorbeelden geven van dingen die jongeren in jouw tijd zouden kunnen begeren?

[3] Bedenk voor jezelf 3 voorbeelden van mensen uit de Bijbel die jaloers waren op een ander, of die iets wilden hebben, wat van iemand anders was.

[4] Heel vaak zie je, dat de zonde van het begeren leidt tot een volgende zonde. Zie je dat ook in de voorbeelden die jij hebt gegeven?

[5] Zoek Jakobus 1:15 op. Wat is het laatste gevolg van het zondige begeren?

[6] Zou je van jaloersheid af kunnen komen? Zo ja, hoe?


Maak thuis al de volgende 4 vragen:

 

1) Door liegen en bedriegen laden wij de zware toorn van God op ons. Dat wordt vooral duidelijk in Handelingen 5:1-10.

a- Over wie gaat dit gedeelte?

b- Lees vers 1-2. Wat was er verkeerd in het gedrag van Ananias en Saffira?

c- Tegen Wie hebben Ananias en Saffira gelogen?

d- Hoe worden Ananias en Saffira gestraft?

 

2) Het negende gebod gaat over 'geen valse getuigenis spreken'. Over welke zonden gaat het dan nog meer behalve over liegen en bedriegen? Probeer minstens 4 zonden op te schrijven. Lees hiervoor ook de uitleg van de catechismus hieronder:

Wat wil het negende gebod?

Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve,

niemand zijn woorden verdraaie,

geen achterklapper of lasteraar zij,

niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen;

maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde,

tenzij dat ik den zwaren toorn Gods op mij laden wil;

insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen

de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde;

ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

 

 

3) Een andere zonde tegen het 9e gebod is het verdraaien van iemands woorden. Lees Markus 14:55-59.

a- Wanneer zijn de woorden van de Heere Jezus verdraaid?

b- Hoe heeft de Heere Jezus dat ondergaan?

 

4) Liegen en bedriegen wordt in de Catechismus ‘een eigen werk van de duivel’ genoemd. Lees nu Genesis 3:4-5.

a- Welke leugens vertelt de duivel in deze geschiedenis?

b- Welke leugens vertelt hij vandaag nog?

 

 


Vragen over Lukas 19:1-10. Lees eerst dit Bijbelgedeelte. Willen jullie in elk geval vr. 1 t/m 5 maken?

 

1) Wat heeft dit Bijbelgedeelte met het 8e gebod te maken?

2) Zijn er volgens jou in het algemeen Bijbelse regels voor hoe we met ons geld moeten omgaan?

3) Zacheüs was een ‘overste der tollenaars’. Wat deed een tollenaar? En waarom was hij zo gehaat in Israël?

4) Iemand heeft eens gezegd: wij zijn eigenlijk allemaal dieven. Wat vind je daarvan?

5) In vers 5 zegt de Heere Jezus tegen Zacheüs: 'Ik moet heden in uw huis blijven'.

[a] Van Wie ‘moet’ de Heere Jezus dat?

[b] Waarom zou de Heere Jezus juist in het huis van Zacheüs willen komen?

[c] Wat zou het voor jou betekenen als de Heere Jezus zei dat Hij in jouw huis / op jouw kamer moet blijven?

6) Zacheüs zegt: ‘Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik aan de armen’. Zou iedereen die bekeerd wordt, dat volgens jou moeten doen? Waarom wel/niet?

7) Zacheüs geeft mensen die hij bestolen heeft, hun geld viervoudig weer. Lees nu Numeri 5:7. Hoeveel moest je volgens de wet van Mozes extra teruggeven, als je iemand bestolen had?

8) De Heere Jezus ging voorbij door de stad Jericho. Bij welke gelegenheden gaat Hij jou voorbij?

 


 

Vragen over Genesis 39:1-12. Lees eerst dit Bijbelgedeelte. Vraag 7 is alleen voor de tweede groep.

 

[1] Waarom zou het voor Jozef in Egypte misschien extra moeilijk zijn geweest om niet te zondigen tegen het zevende gebod? 

[2] Lees Genesis 39:7. Hier lezen we hoe de vrouw van Potifar op een zondige manier naar Jozef verlangt.

-a Via welk ‘zintuig' komt de zonde in haar leven binnen (eerste gedeelte van vers 7)?

-b Ken je een andere Bijbelse geschiedenis waar dat ook zo is?

[3] Genesis 39:8. Hoe reageert Jozef op de verleiding, volgens het eerste gedeelte van vers 8? Wat kun je daarvan leren?

[4] In vers 8-9 noemt Jozef verschillende redenen om niet in te gaan op het voorstel van Potifars vrouw. Welke redenen?

[5] Waarom zou Jozef uiteindelijk gevlucht zijn, en doet hij uiteindelijk niet meer, wat hij in vers 8-9 deed?

[6] Wat is het geheim dat Jozef staande bleef in Egypte (vers 2a)?

[7] In Job 31:1 lees je, hoe Job omging met verleiding.

-a Wat had hij gemaakt?

-b Als je een verbond maakt, beloof je iets.

-c Aan Wie zou Job iets beloofd hebben?

-d Wat zou hij beloofd hebben?

-e Zou hij ook iets gevraagd hebben? Zo ja, wat?

-f Hoe vaak zou je zo’n verbond met je ogen moeten maken?


Maak ter voorbereiding de 7 vragen hieronder (niet alle vragen zijn zo makkelijk, maar doe je best!):

 

  1. Het zevende gebod zegt: 'Gij zult niet echtbreken'. Wat wordt hier bedoeld met de 'echt'? En hoe kun je de echt 'breken'? 
  2. Waarom zou de Heere dat niet willen?
  3. Lees Genesis 2: 18-24. Wat valt jou op in deze verzen? Of waar heb je vragen over? Probeer minstens 3 dingen te noemen.
  4. Met welke bedoelingen zou de Heere het huwelijk tussen man en vrouw hebben ingesteld? (Je kunt dat heel mooi terugvinden in het huwelijksformulier)
  5. Wat lees je van Izak toen er een vrouw voor hem gezocht moest worden (Genesis 25: 63)?
  6. Wat is eigenlijk de betekenis van van het huwelijk; anders gezegd: wat gebeurt er in het gemeentehuis en in de kerk op de trouwdag, als man en vrouw trouwen?
  7. Iemand zegt: Als je echt van elkaar houdt, kan er ook wel een huwelijk zijn tussen twee mannen of twee vrouwen. Wat zou daarop ons antwoord vanuit de Bijbel moeten zijn?

 


  1. och zijn er in de Bijbel vier (groepen) uitzonderingen op het gebod dat je niet mag doden. De eerste uitzondering is: het doden van dieren.
    1. Waarvoor mogen dieren gedood worden volgens Genesis 9:1-3?
    2. Kun je nog een andere reden noemen waarom er in de tijd van het Oude Testament dieren werden gedood?
    3. Lees Spreuken 12:10. Hoe moeten wij met dieren omgaan?
  2. Over de tweede uitzondering lees je in Romeinen 13:4. Het gaat hier over de overheid.
    1. Wie was die overheid in de tijd dat Paulus zijn brief aan de Romeinen schreef?
    2. Hoe noemt Paulus de overheid?
    3. De overheid draagt het zwaard niet tevergeefs, schrijft Paulus. Wat betekent dat?
    4. Waarom is de doodstraf zo ingrijpend?
  3. De derde uitzondering is: iemand doden uit zelfbescherming, als het echt niet anders kan. Lees hiervoor 2 Samuël 2:18-23.
    1. Abner wordt hier achterna gejaagd. Door wie (vers 19)?
    2. Waarom kan Abner hem niet van zich afschudden (vers 18)?
    3. Doodt Abner Asahel direct of doet hij eerst iets anders? Wat?
  4. De vierde uitzondering is, als er mensen gedood worden in een ‘rechtvaardige oorlog’.
    1. Wanneer is er sprake van een rechtvaardige oorlog, volgens jou?
    2. Ken je in de Bijbel gelovigen, die toch dienden in het leger?
  5. Lees Mattheüs 5:21-22.
    1. Welke 3 zonden zijn volgens vers 22 ook een overtreding van het zesde gebod?
    2. Probeer in je eigen woorden te zeggen, wat iemand volgens vers 23-24 moest doen, als hij er bij het brengen van een offer achterkwam, dat zijn naaste iets tegen hem had.
    3. Welke les ligt daarin voor ons?
  6. Wie hebben zichzelf van het leven beroofd volgens de Bijbel? (Probeer het eerst uit je hoofd. Zoek anders op: 1 Samuël 31:4 en 2 Samuël 17:23 en Mattheüs 27:3-5).
  7. Waarom is dit zo’n erge zonde?
  8. Mag je zeggen dat iemand altijd verloren is, als hij zelfmoord heeft gepleegd?

Willen jullie als voorbereiding onderstaande vragen over Genesis 4:1-16 maken. Lees eerst dit Bijbelgedeelte

 

[1] a) Welk beroep gaat Abel uitoefenen en welk beroep Kaïn?

b) Maak jij jouw keus voor een vervolgopleiding/beroep zonder God of met God? Hoe doe je dat?

[2] Lees vers 3-4. Waarom zou God het offer van Abel wel aangezien hebben, en dat van Kaïn niet?

[3] a) In de Catechismus wordt bij het 6e gebod gesproken over haat, nijd, toorn, wraakgierigheid. Schrijf die woorden onder elkaar op en leg uit, wat ze betekenen.

b) Wat bedoelen we, als we zeggen dat deze dingen ‘de weg naar moord/doodslag’ vormen?

[4] De Heere roept Kaïn in vs. 9 en 10 ter verantwoording. Met welke twee vragen?

[5] Kaïn zegt in vs. 13: ‘Mijn misdaad is groter dan dat zij vergeven worde’. Hij zou kunnen bedoelen: Mijn zonde is te groot om te kunnen worden vergeven. Is dat ook zo?

[6] a) Kaïn vlucht niet met de schuld van zijn zonde tot de Heere. Dat is erg. Ken je iemand anders in de Bijbel die zo’n soort ‘berouw’ had over zijn zonde?

b) Wat is het verschil met het berouw van bijvoorbeeld David (als hij de zonde met Uria / Bathseba gedaan heeft)?

 

Catechisatie 11 december DV | Groep 1 & 2 | Het vijfde gebod: de gehoorzaamheid van de Heere Jezus

 

Vragen over Lukas 2:41-52. Lees eerst dit Bijbelgedeelte. Willen jullie in elk geval de eerste 6 vragen maken?

  1. Lees vers 41.
    1. Maria en Jozef gaan naar Jeruzalem ter gelegenheid van het pascha. Aan welke gebeurtenis werd teruggedacht tijdens dit feest?
    2. Wat gebeurde er bij het pascha?
  2. Lees Lukas 2:42.
    1. Hoe oud is de Heere Jezus als Hij dit pascha meemaakt?
    2. Waarom zou de Heere Jezus dit feest al heel aangrijpend kunnen hebben ervaren, denk je?
  3. Lees vers 46.
    1. Welke 2 dingen doet de Heere Jezus, als Hij bij de Schriftgeleerden is?
    2. Zou je daar iets van kunnen leren voor jezelf?
  4. Lees vers 48. Wat vind je van deze woorden van Maria?
  5. De Heere Jezus zegt, dat Hij moet zijn ‘in de dingen Zijns Vaders’. Wat zou Hij daarmee bedoelen?
  6. Lees vers 50-51
    1. Zou de Heere Jezus Zich begrepen hebben gevoeld door Zijn moeder?
    2. Hoe is de houding van de Heere Jezus volgens vers 51?
    3. Wat kun je daarvan leren?
  7. Lees de onderstaande omschrijving van het 5e gebod. Wat valt je op als je er het gedrag van de Heere Jezus naast legt?

 

Wat wil God in het vijfde gebod?

  • Dat ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze
  • en dat ik mij aan hun goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe
  • en dat ik ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft ons door hun hand te regeren.

 8.  Wanneer kun/mag je je ouders niet gehoorzaam zijn?

 

Het vierde gebod (vervolg) – Een slapende jongen in de kerk

 

Vragen over Handelingen 20:7-12 (Willen jullie in elk geval vraag 1-7 maken?). Lees eerst het Bijbelgedeelte

 

  1. Lees vers 7. Op welke dag zijn de discipelen (dat betekent hier: gemeenteleden) bijeengekomen?
  2. Waarom hebben wij de eerste dag van de week aan de dienst van God gewijd, en niet meer (zoals de Joden) de zevende dag?
  3. Waarvoor zijn de discipelen volgens vers 7 bij elkaar gekomen, en wat zou dat betekenen?
  4. Lees vers 8. Er staat ‘niets voor niets’ in de Bijbel. Waarom zou de inhoud van vers 8 er staan? Probeer verschillende redenen te bedenken.
  5. Lees vers 9. Het woord voor ‘jongeling’ kun je ook vertalen met ‘slaaf’. Eutychus is waarschijnlijk een slaaf geweest, die van zijn meester de hele dag moest werken, en pas ’s avonds naar de kerk kon. Waarom was het voor Eutychus onaantrekkelijk om die avond in Tróas naar de kerk te gaan?
  6. Waarom is het eigenlijk nodig dat jij naar de kerk gaat en luistert naar Gods Woord? Probeer verschillende redenen te bedenken.
  7. Eutychus viel uit het raam en werd ‘dood’ opgenomen. Die dode toestand is een teken van onze geestelijke situatie van nature. Wat is er door de zonde gebeurd met…
    1. Ons verstand?
    2. Onze wil?
    3. Onze verlangens?
  8. Welke hoop is er voor mensen die van nature ‘geestelijk dood’ zijn?
  9. Sommige Bijbeluitleggers hebben in de val van Eutychus ook het werk van de duivel gezien. Hoe denk je, dat ze dat bedoelen?

 

Willen jullie vraag 1 t/m 6 maken?

 

  1. Wat betekent het woord 'sabbat' en wanneer is de sabbat ingesteld?
  2. Met welke 2 bedoelingen heeft de Heere deze dag aan ons gegeven?
  3. Wat deed de Heere Jezus Zelf op de sabbat (Lukas 4: 16)?
  4. Lees in de Catechismus vraag en antwoord 103. Daar staat dat we op de rustdag 'naarstiglijk' tot de gemeente Gods moeten komen. Wat betekent het woord 'naarstig'? En hoe kun je dat praktisch maken?
  5. De Bijbel laat zien, dat sommige vormen van werk wel op de sabbat / zondag gedaan moeten worden. ‘Werken van godsdienst, noodzakelijkheid en barmhartigheid’. Geef eens een voorbeeld van…
    1. Werken van godsdienst
    2. Werken van barmhartigheid
    3. Werken van noodzakelijkheid
  6. Lees Nehemia 13:15-16. Op het platteland in Juda ziet Nehemia verschillende mensen aan het werk op de sabbat. Wat voor werk zijn ze aan het doen? En hoe zijn de mensen in de stad Jeruzalem bezig met het overtreden van het vierde gebod?
  7. Als Nehemia ziet hoe de sabbat ontheiligd wordt, doet hij drie dingen (vers 15-18). Wat?
  8. Waarom is het vergeten van het vierde gebod zo gevaarlijk?

 

 

 

Zweren is: God aanroepen als Getuige en als Rechter. Als je zweert, zeg je eigenlijk:

 

·       God is mijn Getuige, dat ik de waarheid spreek, en:

·       God mag mij als Rechter straffen, als ik de waarheid niet spreek

 

 

Lees nu Heidelberger Catechismus Vraag & Antwoord 101:

 

Vraag: Maar mag men ook godzalig bij de Naam Gods een eed zweren?

 

Antw. Ja, als het de overheid van haar onderdanen, of anderszins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eer en des naasten heil; want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond, en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest.

 

  1. Bij Wiens Naam mag je alleen zweren?
  2. In welke 2 situaties mag je volgens de Catechismus een eed zweren?
  3. Als je op een goede manier de eed zweert, wordt God geëerd. Welke 2 eigenschappen van Hem worden vooral geëerd bij het afleggen van een eed?
  4. Lees nu Mattheüs 5:33-36.
    1. De Joden in de tijd van de Heere Jezus zweerden niet bij Gods Naam. Waarbij zweerden zij wel? (in vers 34-36 worden 4 voorbeelden genoemd)
    2. Mag je op zo’n manier zweren, volgens de Heere Jezus?
  5. Wat wil de Heere Jezus duidelijk maken in vers 37?
  6. Mag je, als iemand anders je niet gelooft, zeggen: ‘Ik zweer het’? Waarom wel/niet?
  7. Lees Mattheüs 26:73-74.
    1. Hoe vaak heeft Petrus de Heere Jezus verloochend?
    2. Bij welke verloochening heeft hij gezworen?
    3. Wat zei Petrus eigenlijk, toen hij deze eed gezworen heeft?
  8. Lees Mattheüs 26:63-64.
    1. Welke houding heeft de Heere Jezus tot nu toe ingenomen tegen alle beschuldigingen (vers 63)?
    2. Waarom zou de Heere Jezus zwijgen?
    3. De Heere Jezus moet vervolgens een eed zweren. Wie neemt Hem deze eed af?
    4. Mocht de Heere Jezus hier zweren? Waarom wel/niet?
  9. Een belofte voor Gods aangezicht in de kerk heeft ook het karakter van een eed.
    1. Wat beloof je aan de Heere als je trouwt?
    2. Wat beloof je aan de Heere als je belijdenis doet?
    3. Wat beloof je aan de Heere als je je kind laat dopen?

Het derde gebod

 

Willen jullie in elk geval vraag 1-7 maken --- Vragen over Leviticus 24: 10-23. Lees eerst dit Bijbelgedeelte

 

  1. Wie krijgen er volgens vers 10 ruzie?
  2. Lees vers 11.
    1. Wat doet de zoon van de Israëlitische moeder (en van de Egyptische vader) volgens dit vers?
    2. Waarom zou hij dat doen?
  3. Lees vers 12-13. Waarom zouden Mozes en de andere mensen deze ‘zoon’ eerst gevangen zetten?
  4. Lees vers 14. Welke 2 dingen moeten de mensen die de man hebben horen vloeken, doen?
  5. In Leviticus 24 gaat het over een heel ernstige vorm van misbruik van Gods Naam.
    1. Op welke andere manieren zou iemand Gods Naam kunnen misbruiken?
    2. Is zo’n zonde minder erg?
  6. Wat heeft dit gebod met eerbied te maken?
  7. Lees Leviticus 5: 1.
    1. Wat staat er in dit vers, als je dat in eigen woorden moet navertellen?
    2. Wat zou je kunnen doen / zeggen, als anderen vloeken?
  8. Zou de Heere het goed vinden als je je (vrijwillig en onnodig) in gezelschap begeeft waar veel gevloekt wordt?
  9. Op welke manieren zou je de Naam van de Heere goed kunnen gebruiken?
  10. Lees 1 Timotheüs 1: 12-13.
    1. Kan iemand die Gods Naam gelasterd heeft, zalig worden?
    2. Hoe kan dat alleen?

 

Groep 1 en 2: Het tweede gebod (vervolg)

 

Willen jullie onderstaande vragen maken?

  1. De HEERE God heeft bepaalde eigenschappen. Omdat ál Zijn eigenschappen positief zijn, noemen we Zijn eigenschappen ook wel ‘deugden’. Enkele voorbeelden: De HEERE is lankmoedig, goed, genadig, almachtig, rechtvaardig, eerlijk, heilig. - - - Iemand zegt: ‘Ik geloof wel in God, maar dan in een God Die gewoon liefde is’. Wat zou je zeggen tegen zo iemand?
  2. Lees 2 Samuël 6: 2-7. [a] Waarom lijkt het zo klein, wat Uza hier verkeerd doet? [b] Waarom is het zo erg? [c] En welke eigenschap van God blijkt heel duidelijk in dit gedeelte?
  3. In het Bijbelboek Jona kom je een aantal eigenschappen van de HEERE God tegen. Lees de onderstaande Bijbelgedeelten door en beantwoord bij elk gedeelte de volgende 3 vragen: [a] Wat doet de HEERE hier? [b] Waarom doet Hij dit? [c] Welke eigenschap(pen) van de HEERE ontdek je hierin? (Bij vraag 3 hoef je dus geen antwoord te geven, maar hier staan de a-b-c-vragen die horen bij vraag 4 t/m 9)
  4. Jona 1: 4
  5. Jona 1:17
  6. Jona 2:10
  7. Jona 3:10
  8. Jona 4:6
  9. Jona 4:7

 

 

Catechisatie Groep 1 en 2 DV 23 oktober

Willen jullie de volgende vragen maken:

Lees Exodus 34: 1-14.

[1] Het volk Israel wil een beeld maken van God. Waarom zouden ze dat zo graag willen?

[2] Wat voor beeld laat Aaron maken? En waarom zou hij juist voor dit dier kiezen?

[3] De Heere neemt het volk de zonde van het gouden kalf zeer kwalijk. Waarom?

[4] Mozes bidt voor het volk. Welke 2 redenen voert hij in vers 11-13 aan om het volk niet te vernietigen?

Lees Exodus 20: 4-6.

[5] Wat betekent de zin dat God ‘de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen’?

[6] Maar kinderen worden toch niet gestraft voor de zonden van hun ouders?

[7] Wat betekent het woord ‘barmhartigheid’?

 

Vragen DV 9 oktober - Groep 1 en 2 – Het eerste gebod (vervolg)

Willen jullie de 6 vragen hieronder maken:

[1] Waarom zou er in het 1e gebod staan: ‘Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben (en niet alleen: ‘Gij zult geen andere goden hebben’)? En probeer eens na te denken over de boodschap, die daar voor ons in ligt.

[2] Lees Psalm 115: 3-9. Wat wordt er gezegd over…

a- de mond van de afgoden?

b- de ogen van de afgoden?

c- de oren van de afgoden?

d- de handen van de afgoden?

[3] Tegenover de afgoden stelt de Psalmdichter de HEERE. Wat kun je (ook vanuit de geschiedenis van uittocht) zeggen over…

a- Zijn mond?

b- Zijn ogen?

c- Zijn oren?

d- Zijn handen?

[4] Lees Jeremia 2: 13.

a- Probeer met de Bijbel met uitleg of de Bijbel met kanttekeningen eens na te gaan, welke 2 boosheden het volk gedaan had.

b- Wat heeft dit met het 1e gebod te maken?

c- Calvijn heeft geschreven dat ons hart ‘een fabriek van afgoden’ is. Wat zou hij daarmee bedoelen?

[5] Bij ‘andere goden’ kunnen we ook denken aan andere godsdiensten.

a- Welke andere godsdiensten die er zijn in onze tijd, ken je allemaal?

b- En wat is het grote verschil met het christelijk geloof?

[6] De Heere Jezus noemt ook ‘Mammon’ een afgod.

a- Wat wordt daarmee bedoeld?

b- Wanneer dien je de Mammon?

 

Vragen DV 2 oktober: Willen jullie in elk geval vraag 1-2-4-8-9-10 thuis maken?

 

  1. Welke woorden staan er voor het eerste gebod (Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben)?
  2. Probeer in eigen woorden te zeggen, over welke gebeurtenis het in deze woorden gaat.
  3. Waarom zou de Heere Zijn wet met deze woorden inleiden, denk je?
  4. Welke afgoden zouden vandaag erg machtig zijn? Zou je daar mee kunnen breken? Hoe?

Lees 2 Kronieken 33 : 1-20

  1. Manasse voerde allerlei vormen van afgodendienst in. Lees vs. 1-7 en noem eens drie voorbeelden.
  2. Manasse deed zijn zonden onder ‘verzwarende omstandigheden’, zoals we dat noemen. Kun je een paar van die verzwarende omstandigheden noemen (denk eens aan wie zijn vader was; wat er staat aan het eind van vs. 6; en wat er staat aan het begin van vs. 9)
  3. In vs. 10 staat, dat de HEERE wel tot Manasse en zijn volk sprak. Hoe zou de HEERE dat gedaan hebben? Doet Hij dat vandaag ook tot jou? Hoe?
  4. Als Manasse in de gevangenis zit, leert hij echt bidden (vs. 12). Ben je het eens met de volgende uitspraak: Nood leert bidden. Waarom wel / niet?
  5. De HEERE benauwt Manasse, zegt vs. 12. Wat betekent dat? En wat is de reactie van Manasse?
  6. 13 zegt: ‘de HEERE liet Zich verbidden’. Wat betekent dat, in je eigen woorden gezegd? En welke boodschap ligt daarin voor ons?
  7. Lees vs. 15-16. Wat doet Manasse als God hem teruggebracht heeft in Jeruzalem?

 

Vragen DV 25 september:

  1. Lees Exodus 19: 10-19. In deze verzen wordt verteld onder welke omstandigheden de HEERE Zijn Wet gegeven heeft.
    1. Het volk moet zich voorbereiden op de wetgeving. Wat moeten ze doen?
    2. Waarom zouden ze zich eigenlijk moeten voorbereiden?
    3. Onder welke indrukwekkende tekenen geeft de HEERE de Wet (zie vooral vers 16, 18, 19)?
  2. Waarom zou God die tekenen hebben gegeven?
  3. Veel mensen willen de Wet gebruiken als een ladder, maar de HEERE bedoelt de Wet allereerst als een spiegel. Kun je dat uitleggen?
  4. Welk gebod vind jij het moeilijkst om te houden?
  5. Wanneer kun je de Wet van de HEERE (proberen te) gehoorzamen uit dankbaarheid?
  6. De 10 geboden gelden voor alle mensen. Kun je een voorbeeld geven van een gebod waarmee veel mensen (ook niet-christelijke mensen) het zeker eens zijn?
  7. Wat is volgens jou het belangrijkste gebod? 
  8. In welke 2 geboden heeft de Heere Jezus de Wet samengevat?
  9. Behalve de 10 geboden zijn er in de Bijbel nog 2 andere soorten wetten te vinden. De ene soort is: burgerlijke wetten. Een voorbeeld is te vinden in Exodus 21: 22-25. Welke wet wordt er in deze verzen gegeven?
  10. De andere soort is: ceremoniële wetten. Deze wetten gaan over de offers, de feesten, de besnijdenis enz. Waarom houden wij ons niet meer aan die ceremoniële wetten? Wat hebben we eraan dat ook dit in de Bijbel staat?

--- 

Groep 3 - 27 maart DV

 

We denken op de laatste catechisatieavond van het seizoen nog één keer na over enkele van jullie vragen. Willen jullie van tevoren al even nadenken over de vragen:

1.Hoe ga je om met vragen over de hemel / hel (geloof je daar echt in)?

2.Hoe ga je om met gehandicapte cliënten, bij wie bepaalde dingen (die ze doen) haaks staan op het geloof?

3.Hoe leg je de toelating van God uit?

5.Hoe moet je staan tegenover verschillen tussen christenen wereldwijd?

6.Hoe ga je om met de vraag: Geloof je echt dat deze wereld 6000 jaar oud is?

 

Groep 1 & 2 - 20 maart DV

 

Lees Lukas 18: 1-14. Willen jullie vraag 1 t/m 6 maken? 

[1] Lees het gebed van de farizeeër in vers 11-12. Wat valt je daar allemaal aan op?

[2] In vers 13 gaat het over de tollenaar. Wat valt je allemaal op aan zijn gebed?

[3] In vers 13 staat over de tollenaar, dat hij zijn ogen zelfs niet ‘wilde’ opheffen naar de hemel. Waarom niet, denk je? En Waarom zou de tollenaar op zijn borst slaan?

[4] In vers 14 staat dat de tollenaar ‘gerechtvaardigd’ naar zijn huis ging. Wat betekent dat?

[5] Hoe kan jij net zo bidden als deze tollenaar?

[6] Voor de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar staat nog een andere gelijkenis over het gebed (vs. 1-8). Wat zijn volgens jou de belangrijkste lessen in die gelijkenis?


Groep 3 - 20 maart DV

 

We hopen verder te gaan met jullie vragen over christen zijn in het dagelijks leven. Willen jullie alvast nadenken over de volgende vragen?

[1] Jullie vraag: Ben je als christen verplicht om bijvoorbeeld op je werk zo te bidden dat het voor anderen zichtbaar is? Wat denk je zelf?

[2] Wat zou je ervan weerhouden?

[3] Sommigen van jullie krijgen op hun werk of in hun opleiding de vraag, of je echt in een hemel en een hel gelooft. Waarom zou die vraag gesteld worden, denk je?

[4] Hoe zou je ermee om kunnen gaan? Zit er in zulke vragen ook een spiegel voor ons?

 [5] Wat bedoelen we met de toelating van God?


Catechisatie Groep 1 & 2 - 13 maart DV

 

Willen jullie vraag 1 t/m 6 maken? 

 

Vragen over Lukas 15: 17-32

  1. Lees vers 17, 18 en 19. De terugkeer van de verloren zoon laat ons duidelijk zien, wat bekering is. Welke belangrijke dingen over bekering lees je in deze verzen?
  2. Welke 4 dingen lees je in vers 20 allemaal over de vader? Wat leert dat ons over Wie de Heere is?  
  3. Is er vanuit de Bijbel ook een andere kant, als het gaat over Wie de Heere is? Hoe kunnen die ‘twee kanten’ er allebei zijn?
  4. Lees vers 22. Welke 3 dingen krijgt de verloren zoon van zijn vader? Zou er nog een betekenis in liggen?
  5. Wat vind je van de manier waarop de oudste zoon reageert? Wie zou er met hem bedoeld worden?
  6. Waaruit blijkt de liefde van de vader tot zijn oudste zoon in vers 28? En in vers 31?

 


 

Catechisatie Groep 3 - 13 maart DV

 

Deze keer een aantal praktisch-ethische vragen die jullie zelf hebben aangereikt, over orgaandonatie en abortus.

 

1.Waarom zou je juist wel donor zijn?

2.Zou je ook Bijbelse redenen kunnen noemen?

3.Waarom zou je geen donor zijn?

4.Zou je hier ook Bijbelse redenen kunnen noemen?

5.Welke plaats heeft de Bijbel voor jou in dit vraagstuk?

6. Welke redenen zijn er waarom we abortus afwijzen?

7. Komt abortus al in de tijd van de Bijbel voor? Welke Bijbelse gegevens zijn er (nog meer) om abortus af te wijzen?


 

 

Willen jullie vraag 1 t/m 6 maken? Neem er echt even de tijd voor! Ik zou het erg op prijs stellen als jullie de leervragen (als een korte samenvatting van vorige keer) willen leren.

 

Vragen over Lukas 8: 26-39

[1] In dit gedeelte gaat het over de bezetene van Gadara. Noem 3 dingen die kenmerkend waren voor het gedrag van deze bezetene.

[2] Waarom zouden er tijdens het leven van de Heere Jezus op aarde verhoudingsgewijs veel bezetenen zijn geweest? Zijn er nu nog bezetenen?

[3] Wat wordt in vers 31 met de ‘afgrond’ bedoeld? Zoek het op in de kanttekeningen.

[4] Waarom zou de Heere de duivelen toestemming gegeven hebben om in de zwijnen (varkens) te varen?

[5] Waar zit de bezetene van Gadara nadat de Heere Jezus hem genezen heeft (vers 35)? Wat betekent die plaats ook al weer?

[6] Van de bezetene staat dat hij eerst ‘met geen klederen gekleed was’, maar dat hij later ‘gekleed’ is. Met welke bedoelingen heeft de Heere mensen eigenlijk kleding gegeven? Probeer meer bedoelingen te noemen.

[7] Lees vers 37-39. In deze verzen gaat het over twee gebeden. Valt je iets op, als je let op welk gebed er verhoord wordt?

[8] Waarom zou de bezetene met de Heere Jezus hebben willen meegaan?

 

Leervragen:

Wat bedoelen we met de drievoudige dood? | De lichamelijke dood, de geestelijke dood en de eeuwige dood

Wat betekent de geestelijke dood? | Dat we van nature

- van God gescheiden zijn,

- in zonde liggen

- en onmachtig zijn om onszelf te verlossen

Wie kan geestelijk dode zondaren levend maken? | De Heilige Geest

Welk middel gebruikt Hij daarvoor? | De prediking van het Evangelie


Catechisatie Groep 3 - 6 februari DV

 

1. Waar denk je aan bij het woord 'verbond'?

2. Met het 'werkverbond' bedoelen we, dat de Heere met Adam (als Verbondshoofd van alle mensen) een verbond oprichtte in het paradijs. Dat verbond had alles te maken met 2 bomen.

a) Welke 2?

b) Wat verbood de Heere?

c) Wat zou het loon zijn, als Adam gehoorzaam was?

d) Wat zou het loon zijn, als Adam ongehoorzaam was?

3. Al in de eeuwigheid heeft God de Vader ook een verbond gesloten met Zijn Zoon. 

a) Wat heeft God de Vader toen voor opdracht aan Zijn Zoon gegeven?

b) Welk loon zou Christus krijgen, als Hij gehoorzaam was?


Catechisatie Groep 1 & 2 – 30 januari DV

 

Willen jullie vraag 1 t/m 6 maken? Neem er echt even de tijd voor! Ik zou het erg op prijs stellen als jullie de leervragen (als een korte samenvatting van vorige keer) willen leren.

 

Vragen over 2 Samuël 12: 15-23

  1. Lees 2 Samuël 12: 15-23. In vers 15 staat dat het kind van David erg ziek werd. Soms denken mensen, dat zijn ziekte een straf was op de zonde van David en Bathséba. Waarom is dat niet zo?
  2. Wat zou wel de reden geweest zijn, dat deze jongen ziek werd? Kunnen we eigenlijk wel een antwoord geven op die vraag?
  3. In vers 16-17 staat dat 'David de HEERE zocht voor dat jongsken'. (a) Waar zou David om gebeden hebben? (b) Mag je, als je bidt, 'redenen aanvoeren' voor de verhoring van je gebed? (c) Welke redenen kon David aanvoeren?
  4. (a) Waar ging David heen, nadat zijn kind gestorven was (vers 20)? (b) Wat deed hij daar en wat betekent dat?
  5. Lees vers 23 nog eens. David zegt: ‘ik zal wel tot hem gaan’. Hij bedoelt dat op 2 manieren. Welke?
  6. (a) Wat heeft het volgende stukje uit de Dordtse Leerregels (I, 17) te maken met deze geschiedenis? “Nademaal wij van den wille Gods uit Zijn Woord moeten oordelen, hetwelk getuigt dat de kinderen der gelovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn, zo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt”. (b) En welke vragen heb jij over dit gedeelte uit de Dordtse Leerregels?

 

 

Leervragen:

Wat bedoelen we met de drievoudige dood? | De lichamelijke dood, de geestelijke dood en de eeuwige dood

Wat betekent de geestelijke dood? | Dat we van nature

- van God gescheiden zijn,

- in zonde liggen

- en onmachtig zijn om onszelf te verlossen

Wie kan geestelijk dode zondaren levend maken? | De Heilige Geest

Welk middel gebruikt Hij daarvoor? | De prediking van het Evangelie

 


 

Lees Markus 10: 13-16. Welke dingen vallen je op in dit Bijbelgedeelte?

Bij vers 13: (a) Wie brengen er kinderen tot Jezus? (b) Ze doen dat ‘opdat Hij ze aanraken zou’. Wat wordt met dat ‘aanraken’ bedoeld, volgens Mattheus 19: 13?

Op welke manieren zouden in onze tijd kleine kinderen tot Jezus kunnen worden gebracht?

  1. Stelling: Ook in onze tijd worden nog doden opgewekt. Mee eens of niet? Waarom wel/niet?
  2. Lees het Bijbelgedeelte rustig voor jezelf enkele keren door. Welke dingen vallen je op? Heb je ook vragen? 
  3. Lees vers 14. (a) Welke dingen doet de Heere Jezus om de dode jongen op te wekken? (b) En waarom zou de Heere Jezus eerst de baar aanraken?
  4. De Heere Jezus heeft in dit gedeelte ook duidelijk oog voor de nood van de moeder van de jongen. (a) Waarom is het sterven van haar zoon voor haar zo erg? (b) Wat betekent het, dat de Heere Jezus met innerlijke ontferming over de moeder bewogen werd? (c) Wat is je eerste gedachte bij de laatste twee woorden van vers 13?
  5. Door de zonde is de mens van nature onderworpen aan de drievoudige dood: de lichamelijke dood, de geestelijke dood en de eeuwige dood. Wat wordt bedoeld met de geestelijke dood?
  6. Als de mensen dit wonder zien, reageren ze met de woorden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan’. Vind je de naam ‘profeet’ hier goed? Waarom wel / niet?
  7. Welke twee mensen heeft de Heere Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde nog meer opgewekt? Waarom in totaal maar 3 mensen, denk je?
  8. Wat leer je uit dit Bijbelgedeelte over Wie de Heere Jezus is? Probeer 3 eigenschappen te noemen.

 

Leervragen

Zal de mens altijd leven? | Nee.

Sterft dan heel de mens? | Nee, alleen het lichaam, want de ziel is onsterfelijk.

Hoeveel wegen zijn er voor de ziel na de dood? | Twee: de hel of de hemel.

Gaat de ziel daar na de dood direct heen? Ja, zoals blijkt uit de gelijkenis van Lazarus en de rijke man. De rijke man hief zijn ogen op in de hel, en Lazarus werd gedragen in Abrahams schoot.

Bestaat er een vagevuur? | Nee, de moordenaar ging niet naar een vagevuur, maar direct naar de hemel.

 


Catechisatie Groep 3 - 23 januari DV

 

We gaan nog een keer nadenken over de Doop:

- Welke vragen heb je zelf nog over dit onderwerp?

- Het eerste wat de Doop ons volgens het formulier aanwijst, is de onreinheid van onze (jouw! mijn!) ziel. Heb je dat wel eens beseft bij een Doopsbediening? Zo niet, hoe zou dat komen?

- De boodschap dat onze ziel onrein is, heeft 3 doelen volgens het formulier: dat we onszelf 'mishagen', 'verootmoedigen' en 'onze reinigmaking en zaligheid buiten onszelf zoeken'. Kun je die 3 doelen losmaken van elkaar?

- Ken je een Bijbels voorbeeld van iemand die zich mishaagt? Wat is het verschil met minderwaardigheidsgevoelens over onszelf?

 


 

 

Leervragen

Wat zijn gelijkenissen? | Verhalen, ontleend aan het dagelijks leven, om een geestelijke les door te geven

In welk hoofdstuk staan 7 gelijkenissen over het Koninkrijk der hemelen? | Mattheus 13

Wie is de duivel en wat betekent zijn naam? | Een gevallen engel; uiteenwerper

Welke 3 namen krijgt de duivel in de Bijbel nog meer? | satan; vader der leugenen; mensenmoorder van den beginne

 


 Catechisatie Groep 3 – 16 januari DV

 

Van de onderwerpen / vragen die jullie aangedragen hebben, wil ik de komende weken met jullie nadenken over de

Doop / het Verbond. Voor maandag a.s. de volgende vragen. Willen jullie de vragen maken?

 

    1. Lees Genesis 17: 2-3 en 10-14. (a) Welk sacrament wordt hier ingesteld? (b) Aan wie moet het bediend worden? (c) Is dat een kwestie van vrije keus of niet?
    2. De besnijdenis was teken van het verbond. Betekende dat teken / het verbond, dat je automatisch bekeerd was? Wat dan wel?
    3. Mocht je in het Oude Testament onbesneden bleven, als je vader en moeder onbekeerd waren, maar wel tot het volk van Israël behoorden?
    4. Wat heeft de doop met de besnijdenis te maken? Lees hiervoor Kolossenzen 2: 11-12.
    5. Hoe ondersteunen de volgende teksten het standpunt dat de kleine kinderen van de gelovigen gedoopt moeten worden?
      1. Markus 10:14
      2. Mattheüs 28:19
      3. Handelingen 2:39
      4. Handelingen 16:15 en 33

 

Catechisatie groep 1&2 DV 12 december

 

Willen jullie de eerste 6 vragen maken? De vragen gaan over Handelingen 19: 18-40.

 

[1] Lees vers 18.

a - Wat doen volgens dit vers veel mensen, die tot geloof komen?

b - Wat is 'je zonden belijden' eigenlijk?

c - Ken je Bijbelse voorbeelden van het belijden van zonden?

d - Ken je ook mensen die wel verdriet leken te hebben over hun zonden, maar bij wie dat toch niet echt was? 

[2] Wat doen de mensen die tot geloof komen, met hun toverboeken?

[3] Zouden er in onze tijd zonden en afgoden zijn, waarmee we echt breken moeten? Hoe moet dat?

[4] Zijn er ook zonden waarmee je niet kunt breken?

[5] Wat betekent ‘wies’ in vers 20?

[6] Tijdens het verblijf van Paulus in Efeze ontstaat er ook een groot oproer in de stad. Degene die dit oproer ontketent, is Demetrius. Lees vers 24-27. Als je het in het kort moet zeggen: Waarom is deze man tegen de prediking van Paulus?

[7] Lees vers 35-40. Wie brengt er rust te midden van deze oproer? Wat leert dat over onze overheid?

 

 

Catechisatie groep 3 – DV 12 december

 

Stellingen:

1. De Heere Jezus heeft echt menselijke emoties gehad.

2. De Heere Jezus kan depressieve mensen begrijpen vanuit de ervaring.

3. Dat de Heere Jezus, toen Hij in alles verzocht werd, zonder zonde bleef, betekent dat Hij de verzoeking niet begrijpt.

4. In het gebed mag je alles tegen de Heere zeggen.

 

Lees Hebreeën 4: 14-16

5. Volgens deze verzen kan de Heere Jezus ‘medelijden hebben met onze zwakheden’. Welke echt menselijke ‘zwakheden’, maar ook emoties heeft de Heere Jezus allemaal ondervonden tijdens Zijn leven op aarde?

6. De Heere Jezus is ‘in alle dingen gelijk als wij verzocht’. Welke concrete verzoekingen heeft Hij ervaren?

7. Om welke redenen zou de Heere Jezus in dit vers ‘Hogepriester’ worden genoemd?

8. Hoe kunnen mensen (en jij!) ‘toegaan tot de troon der genade’? En welke aanwijzing geeft de apostel hierbij?


 

Catechisatie groep 1&2 DV 5 december

 

Willen jullie de eerste 5 vragen maken? De vragen gaan over Handelingen 19: 1-20.

 

[1] In Efeze vindt Paulus twaalf discipelen van Johannes de Doper.

[a] Over Wie hadden zij nog nooit gehoord?

[b] Wat is het werk van de Heilige Geest eigenlijk?

[c] Iemand heeft het werk van de Heilige Geest eens vergeleken met een schijnwerper. Hoe zou dat bedoeld worden?

[2] Hoelang heeft Paulus in Efeze gepreekt (vers 10)? En waar (vers 9)?

[3] Paulus krijgt in Efeze kracht om ongewone wonderen te doen.

            [a] Welke 2 groepen mensen worden genezen?

            [b] Waarom zou de Heere deze wonderen doen?

            [c] Zou de Heere vandaag nog zulke wonderen doen?

            [d] Waarom doet Hij deze wonderen soms ook niet?

[4] Wat proberen de 7 zonen van Sceva te doen, volgens vers 13-14?

[5] Welke 2 dingen gebeuren er met hen (vers 16)? En waarom zouden zij de boze geesten niet hebben kunnen uitwerpen?

[6] In vers 17 lees je 2 reacties op deze gebeurtenis. Welke?

[7] Wat doen volgens vers 18 veel mensen, die tot geloof komen? Is dat volgens jou altijd nodig?

[8] Lees vers 19. Wat zouden ‘ijdele kunsten’ hier zijn?

[9] Wat doen de mensen die tot geloof komen, met hun toverboeken? En welke les ligt daarin voor jou?

[10] Wat betekent ‘wies’ in vers 20?

 

 

 

 


 

Catechisatie groep 3 DV 5 december

Vorige keer hebben we met elkaar wat spontaan nagedacht over vragen rond transgender en homoseksualiteit. Daarover denken we deze keer nog verder na, vooral over wat de Bijbel ons leert met betrekking tot deze dingen. Neem al je vragen over dit onderwerp mee!

 


Catechisatie Groep 1 & 2 – DV 28 november 2022

 

[1] In Handelingen 18: 9-10 lees je, dat de Heere ’s nachts tot Paulus spreekt.

  1. Waarom deed de Heere dit? Let vooral op de eerste woorden die de Heere spreekt.
  2. De Heere zegt in vers 10, dat Hij ‘veel volk in deze stad’ heeft. Zouden dat allemaal mensen zijn geweest, die al tot bekering gekomen waren, of kan er ook iets anders mee bedoeld worden?

[2] In 1 Korinthe 6: 10 worden 10 ‘openbare zonden’ genoemd.

  1. Wat is volgens jou de ergste zonde die hier genoemd wordt? En waarom?
  2. Wat is het verschil tussen ‘openbare’ en ‘verborgen’ zonden?
  3. Wat moet er met onze zonden gebeuren?

[3] In 1 Korinthe 6: 11 wordt verteld, wat er gebeurd is met sommige ‘openbare zondaars’ in Korinthe.

  1. Welke 3 (werk)woorden worden daarvoor gebruikt?
  2. Door Wie is dat gebeurd?
  3. Wat betekent 'gerechtvaardigd'?

[4] De Heere sprak tot Paulus ‘in een gezicht’.

  1. Wat is dat?
  2. Hoe spreekt de Heere tot jou?
  3. Stelling 1: We hebben er niet genoeg erg in, hoe vaak de Heere tot ons spreekt.
  4. Stelling 2: Je kunt hier niets aan doen.

[5] In Handelingen 18: 12-16 lezen we, dat de Joden Paulus beschuldigen.

  1. Waarvan?
  2. Wie zit er achter deze aanklacht?

 

Catechisatie groep 1&2 DV 20 november 2022

  Paulus in Korinthe (1)

 

Lees Handelingen 18: 1-8

 

[1] Lees vers 1-3. In Korinthe ontmoet Paulus Aquila en Priscilla. Wat zijn zij van beroep?

[2] Paulus oefent dit beroep ook uit en hij gebruikt het voorbeeld van een tent later in de Korinthebrief. Lees hiervoor 2 Korinthe 5: 1.

  1. Welk woord voor ‘tent’ gebruikt Paulus hier?
  2. Wat bedoelt hij met ‘ons aardse huis dezes tabernakels’?

[3] Jullie hebben een opleiding of een beroep gekozen, of jullie gaan dat nog kiezen.

  1. Hoe zou je de Heere in je keus (van een beroep of opleiding) kunnen betrekken?
  2. Hoe zou je kunnen weten, wat de goede keus is?
  3. Zijn er beroepen / opleidingen die je als christen niet kunt uitoefenen?

[4] Hoe kan de duivel jou op je werk van God proberen af te brengen?

[5] Op de sabbat preekt Paulus in de synagoge. Waar probeert hij volgens vers 5 de Joden van te overtuigen?

[6] In vers 5 worden 2 namen van de Zoon van God gebruikt. Welke 2? En wat betekenen die namen letterlijk?

[7] Sommige Joden in synagoge ‘wederstonden en lasterden’, toen Paulus preekte. Waaraan zou je hebben kunnen merken, dat ze ‘wederstonden’?

[8] Tegen de ongelovige Joden zegt Paulus: ‘Uw bloed zij op uw hoofd’. Wat zou hij daarmee bedoelen?

[9] In vers 8 wordt verteld, dat Crispus tot geloof komt. Waarom is het zo’n wonder dat juist hij tot geloof komt?


Catechisatie groep 3 DV 20 november

Hoe kun je troost uit Gods Woord putten in donkere tijden? (2)

 

[1] Ken je zelf Bijbelse voorbeelden van mensen die het moeilijk hadden en in de put zaten?

[2] Lees Psalm 105: 16-21. Over wie gaat het hier?

[3] Vanuit jullie 'algemene Bijbelkennis': Het leven van Jozef lijkt wel op een weg die steeds verder naar beneden gaat, en vervolgens steeds verder omhoog gaat.

a) Welke gebeurtenissen markeren de weg naar beneden?

b) Welke gebeurtenissen markeren de weg naar boven?

[4] Wat betekent vers 19?

[5] Waar zou Jozef steun aan gehad hebben in de diepte?

[6] Kan dat jou ook helpen? Waarom (niet)?

 


1) In Handelingen 17: 30 gaat het over ‘bekering’.

a - Wie moeten zich volgens dit vers bekeren?

b - En Wie laat dat volgens dit vers aan ons weten? Hoe doet Hij dat?

 

2) In vers 31 legt Paulus uit, waarom mensen zich moeten bekeren.

a - Welke belangrijke reden noemt hij hier voor onze bekering (in je eigen woorden)?

b - Zou je nog meer redenen kunnen noemen?

 

3) Iemand zegt: 'Maar je kunt je toch niet bekeren'? Wat zou je daarop zeggen?

 

4) Een tweede onderwerp in de preek van Paulus in Athene is de ‘opstanding der doden’.

a - Wie is er uit de doden opgestaan?

b - En wie zijn er, in de Bijbelse tijd, allemaal uit de doden opgewekt

c - Wat zou je zeggen, als iemand tegen je zegt: ‘Maar dat kan toch niet’?

 

5) Paulus spreekt ook over de wederkomst van de Heere Jezus.

a - Hoe noemen we de periode voor de wederkomst van de Heere Jezus?

b - Zijn er tekenen van de eindtijd, die je nu in vervulling ziet gaan?

 

6) In Handelingen 17: 32 en 34 lees je over 3 reacties op de preek van Paulus.

a - Welke 3?

b - Zijn er dingen die je daaruit kunt leren?

 

 

Catechisatie groep 3 DV 7 november 2022

De komende weken gaan we nadenken over een ander onderwerp dat door jullie is aangedragen: Hoe kun je troost vinden in Gods Woord in moeilijke tijden van je leven?

1) Stelling: Dit onderwerp is voor iedereen uit de catechisatiegroep van betekenis. Eens of niet? Waarom (niet)?

2) Lees Psalm 10. Welk vers gaat vooral over ons onderwerp?

3) Als je een psalm leest, ga je zo'n psalm vaak beter begrijpen, als je de vraag stelt: Wat kom ik uit deze psalm te weten over de situatie van de dichter? Welk antwoord krijg je als je die vraag stelt bij Psalm 10?

4) Lees ook Psalm 139. Op welke manier(en) zou deze Psalm troost kunnen geven?


Vorige keren:

 

Lees eerst Handelingen 17: 16-27

 

[1] Paulus ziet dat de stad Athene ‘zozeer afgodisch’ is.

  1. Waaraan zou hij dat hebben gezien?
  2. Hoe reageert hij daar volgens vers 16 op, en wat betekent dat?

[2] Waar zou je in onze tijd aan kunnen zien dat een plaats afgodisch is?

[3] Wat zijn de gevaarlijkste afgoden, denk je?

[4] Op welke 2 plaatsen in Athene preekt Paulus het Evangelie, volgens vers 17?

[5] Lees vers 19-21.

  1. Waarom willen de Atheners de boodschap van Paulus horen, als je dat in eigen woorden moet zeggen?
  2. Is dat goed of niet? Leg je antwoord uit.

[6] In vers 23 vertelt Paulus over een altaar dat hij in Athene gezien heeft.

  1. Voor wie is dat altaar?
  2. Waarom zou dat altaar gemaakt zijn?

[7] Is de Heere voor ons ook een onbekende God? Waarom wel / niet?

[8] In vers 26 staat, dat de Heere ‘uit énen bloede’ het hele menselijke geslacht gemaakt heeft. Wie wordt er, denk je, bedoeld met ‘uit énen bloede’?

[9] Van welke 2 dingen in jouw leven wordt in vers 26 gezegd, dat de Heere die heeft ‘bescheiden’ (vastgesteld)?

[10] Welke bedoeling heeft de Heere daarmee, volgens vers 27?

[11] Wat betekent: God zoeken?


Stelling: Uitverkiezing betekent dat de grootste zondaar zalig kan worden.

Stelling: Je kunt er van verzekerd worden dat je uitverkoren bent.

Vraag: Ligt er volgens jullie ook een positieve boodschap in de uitverkiezing? Zo ja, welke?

Vraag: Welke vragen blijven er nog over bij jou over dit onderwerp?

 


Groep 1 & 2 - 3 oktober 2022 - Met Paulus op zendingsreis – 3

 

Vragen over Handelingen 16: 6-18 (eerste 6 vragen zijn huiswerk)

 

[1] Lees vers 6-10. Je zou bij deze verzen kunnen zeggen: God sluit deuren en Hij opent deuren. Hoe zie je dat in deze verzen terug?

[2] Wat weet je over de plaats waar Lydia op de sabbat was, vanuit vers 13? Probeer dit vers helemaal uit te diepen en zoveel mogelijk (minstens 3) dingen te noemen.

[3] a. Wat is er volgens vers 14 met Lydia’s hart gebeurd?

b. Wat wordt er eigenlijk bedoeld met ‘ons hart’ in de Bijbel?

[4] Wat leert vers 14 ons over:

a. Hoe het van nature met ons hart is?

b. Wat er met ons hart moet gebeuren?

c. Waar de Heere dat juist wil doen?

[5] Wat zou bedoeld worden met ‘dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd’ (vers 14)?

[6] Volgens vers 15 wordt Lydia gedoopt met haar huis. Wat wordt met ‘haar huis’ bedoeld, denk je?

[7] Waarom zou Lydia zo graag willen, dat Paulus en Silas bij haar in huis komen? (Let vooral op hoe het woord ‘huis’ in dit vers ook gebruikt wordt)

[8] Volgens vers 16 worden Paulus en Silas achtervolgd door een dienstmaagd met een waarzeggende geest.

a. Wat betekent dat laatste?

b. Van wie heeft dit meisje deze macht?

c. Komt dit in onze tijd nog voor?

[9] Wat vind je van de woorden die de dienstmaagd in vers 17 roept?

[10] Waarom zou Paulus ‘ontevreden’ (vers 18) zijn over het gedrag van dit meisje, denk je?


Groep 3 - 3 oktober 2022

 

In de derde groep (20.30 tot 21.15) gaan we eerst een aantal keren nadenken over onderwerpen die door jullie zelf zijn aangedragen. We zijn begonnen met de uitverkiezing. Ter voorbereiding weer 4 stellingen. Eens of oneens?

1. God heeft sommige mensen uitgekozen, omdat Hij van tevoren zag dat zij beter waren dan anderen.

2. God heeft sommige mensen uitgekozen, omdat Hij van tevoren zag dat zij echt zouden gaan geloven.

3. Uitverkiezing betekent dat de grootste zondaar zalig kan worden.

4. Je kunt er van verzekerd worden dat je uitverkoren bent.

 


Uitverkiezing - deel 1 (Groep 3)

Stellingen: eens of niet?

1. Uitverkiezing is zo'n moeilijk onderwerp, dat je het er maar beter niet over kunt hebben in de preek of op catechisatie.

2. Als je Bijbels wilt nadenken over de uitverkiezing, moet je niet beginnen bij de eeuwigheid, maar bij de tijd (dus na de schepping).

3. Je kunt niet Bijbels nadenken over de uitverkiezing buiten de Heere Jezus en Zijn komst naar deze wereld om.

4. Omdat de uitverkiezing er is, is luisteren naar een preek niet echt nodig. 

5. Als je ongelovig blijft, blijft de toorn van God op je rusten.

 

Vragen over Handelingen 16: 22-33 (groep 1 en 2)

[1] In vers 22-23 wordt verteld wat er met Paulus en Silas gebeurde in Filippi.

  1. Welke 3 erge dingen gebeuren er met hen?
  2. Op Wie lijken ze daarin?

[2] Wat doen Paulus en Silas volgens vers 25 midden in de nacht? Hoe is dat mogelijk, als je denkt aan het lijden dat ze moesten ondergaan?

[3] Wat gebeurt er in vers 26? Wie zorgt daarvoor? 

[4] In vers 28 roept Paulus: ‘Doe uzelven geen kwaad’. Waarom is het zo’n groot kwaad, wat de stokbewaarder wilde doen? Probeer meer redenen te bedenken.

[5] Uit de verzen tot nu toe krijg je wel een indruk van wat voor man de stokbewaarder was. Hoe zou je hem beschrijven?

[6] In vers 30 stelt de stokbewaarder een vraag die ook jouw levensvraag moet worden. Waarom zouden zoveel mensen die vraag in hun leven nooit stellen? Zouden kerkmensen die vraag altijd wel stellen?

[7] Zou het antwoord van Paulus in vers 31 direct duidelijk geweest zijn voor de stokbewaarder?

[8] Wat is ‘geloven in de Heere Jezus Christus’?

[9] Wat doet de stokbewaarder volgens vers 33 met Paulus en Silas? Waarom zou hij dat doen?

[10] De stokbewaarder werd volgens vers 33 gedoopt ‘met de zijnen’. Wie worden met 'de zijnen' bedoeld, denk je?

[11] Ken je andere voorbeelden in het Nieuwe Testament van mensen die werden gedoopt met ‘hun huis’?


Vragen over Handelingen 13: 3-12 (groep 1 en 2)

Om persoonlijk over na te denken: op wie lijk jij in je houding tegenover Gods Woord: op Elymas of op Sergius Paulus? Of op geen van beiden? Hoe komt dat?

  1. In vers 3 staat dat de gelovigen in Antiochië ‘vastten en baden’. Wat betekent ‘vasten’? En wat is de bedoeling ervan in de Bijbel?
  2. Eén van de eerste eilanden die Paulus en Barnabas op hun zendingsreis bezoeken, is Cyprus. Waarom zouden ze juist daarheen gaan?
  3. Werpt wat je leest in Handelingen 4:36, nog meer licht over deze vraag?
  4. Waar verkondigen Paulus en Barnabas het Evangelie eerst volgens vers 5? Waarom daar?
  5. In Pafos ontmoeten Paulus en Barnabas verschillende mensen. Twee van hen worden met name genoemd. Wie zijn het?
  6. Van Barjézus of Elymas wordt gezegd dat hij een tovenaar is. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Wie geeft hem die macht? Zijn zulke dingen er nu nog?
  7. Van Sergius Paulus lezen we: ‘hij zocht zeer het Woord Gods te horen’. Zou een echte bekering daar volgens jou mee kunnen beginnen?
  8. De tovenaar, Elymas, probeert ‘de stadhouder van het geloof af te keren’. Hoe zou hij dat gedaan hebben?
  9. Hoe probeert de duivel nu jongeren en ouderen ‘van het geloof af te keren’?
  10. Welke straf krijgt Elymas, volgens vers 11, voor wat hij heeft gedaan?
  11. Zijn lichamelijke ziekten / beperkingen altijd een straf in de Bijbel? Welke bedoelingen zou de Heere er ook mee kunnen hebben?
  12. Probeer je in Paulus te verplaatsen: waar zou hij aan gedacht hebben toen hij tegen Elymas moest zeggen, dat die voor een tijd blind zou zijn?